Drie kinderen


Drie kinderen liepen door groene weiden

ze crosten de beentjes van onder hun lijven

de helling liep steil naar benee

eerst proefden ze, dan hoorden ze, dan zagen ze de zee


ze liepen over stenen muren

tot bij de schapen van de buren

ze trachtten er eentje te vangen

tevergeefs, het bleef bij een verlangen


en ze vertelden ronduit over bergen, elfen en godinnen

hun verbeelding was groots, zij konden alles verzinnen

er was iets tussen de kinderen,

iets tussen de kinderen

je kon het voelen zinderen

iets…


De jongen, korte broek en een trui veel te klein

knieën kapot gevallen,  dat deed geen pijn

het grote meisje had glanzende pijpenkrullen

haar lach kon de weide vullen


het derde kind, een meisje van vier

droeg rode laarzen en een rode jas

zij hield ‘anders’ van haar vrienden

alsof zij uit een ander tijdperk kwam


Het meisje van vier, was niet van hier

zij kende haar vrienden onder een andere naam

maar hier waren ze van al dat weten ontdaan

hier waren ze gelijkwaardig

hier waren ze gelijkwaardig


en later als ze terug zou gaan

dan zou ze zich altijd herinneren

hoe zij hier samen speelden

als onbezorgde kinderen